ECLI:NL:CRVB:2018:4058
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens geen toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan die door het UWV werd geweigerd vanwege het ontbreken van een periode van 52 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid en onvoldoende toename van beperkingen na 1999. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat medische stukken een toename van beperkingen aantoonden en verzocht om een onafhankelijke deskundige. De Raad volgde dit niet en oordeelde dat het UWV terecht had vastgesteld dat er geen toegenomen arbeidsongeschiktheid was in de relevante periode. De medische rapporten boden onvoldoende houvast voor een andere conclusie.
Verder wees de Raad het verzoek om schadevergoeding wegens het niet toekennen van de uitkering af, maar erkende wel dat de behandeling van het hoger beroep langer dan twee jaar had geduurd. Daarom veroordeelde de Raad de Staat tot een immateriële schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering en veroordeelt de Staat tot een schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.