Appellant, die zich in 2020 ziek meldde met psychische, cognitieve en energetische klachten, ontving een WIA-uitkering waarbij het UWV zijn arbeidsongeschiktheid vaststelde op 58,75% per 19 januari 2022. Appellant betwistte deze mate van arbeidsongeschiktheid en stelde dat hij meer beperkingen had dan door het UWV erkend, waardoor hij niet geschikt zou zijn voor de geselecteerde functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat zij de medische beoordeling van het UWV voldoende zorgvuldig achtte en geen reden zag om de geschiktheid van de functies te betwijfelen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er sprake was van ongelijkheid van wapens en dat de medische beperkingen werden onderschat, onderbouwd met rapporten van een medisch adviseur en een psychiatrisch verpleegkundige.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische stukken betrekking hadden op een latere datum dan de vastgestelde beoordelingsdatum en dat de situatie van appellant na 19 januari 2022 was verslechterd. De Raad vond het onderzoek van het UWV zorgvuldig en zag geen aanleiding om de medische beoordeling of de arbeidskundige selectie van functies te wijzigen. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.