ECLI:NL:CRVB:2024:61
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek
Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding wegens klachten na een ongeval. Het UWV weigerde de uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Na bezwaar en beroep bleef het UWV bij dit standpunt, waarop appellant beroep instelde bij de rechtbank en vervolgens hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsarts de beperkingen adequaat had vastgesteld, rekening houdend met nek-, rug-, psychische klachten en slaapproblemen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de PTSS-klachten niet voldoende waren meegenomen, dat beperkingen voor duwen en trekken niet juist waren verwerkt, en dat de geselecteerde functies niet passend waren vanwege fysieke en opleidingsbeperkingen.
De Raad oordeelt dat de PTSS-klachten wel degelijk zijn meegenomen in de beoordeling en dat er geen nieuwe medische informatie is die aanleiding geeft tot twijfel aan het oordeel van de verzekeringsarts. De arbeidsdeskundige heeft toegelicht dat de functies passend zijn, ook gezien de opleidingsachtergrond van appellant. De Raad concludeert dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.