Appellante, bekend met psychische en lichamelijke klachten, kreeg van het college een maatwerkvoorziening individuele begeleiding toegekend van zes uur per week in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voor de periode 1 januari 2022 tot en met 31 juli 2022. Zij stelde dat twaalf uur per week noodzakelijk was, maar dit werd onvoldoende onderbouwd. Het college hanteerde een uurtarief van €18,11, gebaseerd op de sociale relatie met de begeleider, de moeder van appellante.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit, waarbij werd geoordeeld dat het college de hulpvraag zorgvuldig had onderzocht en de verstrekte uren passend waren. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Raad bevestigde dat de uren passend waren, maar oordeelde dat het gehanteerde uurtarief niet toereikend was omdat het lager was dan het minimale pgb-uurtarief dat volgt uit de cao VVT, inclusief vakantietoeslag en verlofuren.
De Raad stelde vast dat artikel 9, achtste lid, onderdeel e, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Groningen 2020 in strijd is met de Wmo 2015 omdat het een te laag uurtarief voorschrijft. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit voor zover het een lager uurtarief hanteert dan het minimale tarief en droeg het college op een nieuwe beslissing te nemen. Tevens kreeg appellante een vergoeding van proceskosten en griffierecht toegekend.