Appellante, lijdend aan borstkanker, diabetes en een depressieve stoornis met gegeneraliseerde angst, diende op 31 augustus 2021 een aanvraag in voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees deze aanvraag af omdat er geen noodzaak bestond voor 24 uur per dag zorg in de directe nabijheid om ernstig nadeel te voorkomen. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd overwogen dat de zorgbehoefte van appellante planbaar en oproepbaar was.
Appellante voerde hoger beroep aan tegen deze uitspraak en stelde dat zij ten onrechte niet was gehoord tijdens de bezwaarprocedure en dat haar zware lichamelijke en psychische beperkingen onvoldoende waren meegewogen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het CIZ de hoorplicht had geschonden door appellante niet te horen, ondanks dat zij expliciet had aangegeven een hoorzitting te wensen. Dit gebrek werd echter gepasseerd omdat appellante in beroep en hoger beroep alsnog gelegenheid had gehad haar standpunten mondeling toe te lichten.
De Raad bevestigde het oordeel dat appellante geen blijvende behoefte heeft aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat zij in staat is op relevante momenten hulp in te roepen. Het CIZ werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante, inclusief het betaalde griffierecht, vanwege de schending van de hoorplicht in de bezwaarprocedure.