ECLI:NL:CRVB:2024:654
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om hem een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij volgens het UWV minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant betwistte de medische beoordeling en stelde dat hij meer beperkingen heeft dan vastgesteld, waardoor hij de geselecteerde functies niet kan vervullen.
De rechtbank Limburg verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en overtuigend was uitgevoerd. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt, maar kon geen nieuwe medische informatie aandragen die het oordeel van het UWV ondermijnt.
De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en goed gemotiveerd was. De Raad oordeelde dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn voor appellant en dat hij niet voldoet aan de vereiste 35% arbeidsongeschiktheid voor een WIA-uitkering.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen, de eerdere uitspraak bevestigd en bleef de weigering van de WIA-uitkering in stand. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.