ECLI:NL:CRVB:2024:684
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid WIA per december 2020 en juli 2021
Appellant was werkzaam als magazijnmedewerker en meldde zich in december 2018 ziek vanwege psychische klachten. Na een WIA-aanvraag stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 63,77%, later bijgesteld naar 61,54% per 7 december 2020 en 62,13% per 7 juli 2021. Appellant en zijn ex-werkgever maakten bezwaar tegen deze besluiten, waarna de rechtbank de besluiten in stand liet.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de functies huishoudelijk medewerker gebouwen en huishoudelijk medewerker ongeschikt zijn vanwege een hoog handelingstempo en deadlines, wat volgens hem niet juist is weergegeven in het CBBS. Hij overlegde rapporten ter onderbouwing van zijn standpunt. Het UWV verwees naar een arbeidsdeskundig rapport dat toelichtte dat deze functies geen kenmerkende belasting van hoog handelingstempo en deadlines kennen.
De Raad oordeelde dat het CBBS als ondersteunend systeem in beginsel juist is en dat appellant onvoldoende heeft gemotiveerd dat de gegevens onjuist zijn. De door appellant aangevoerde functiebeschrijvingen en rapporten betroffen andere functies of algemene kenmerken van de schoonmaakbranche en waren niet specifiek voor de geselecteerde functies. Het verzoek tot nader onderzoek werd afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en het UWV dat de vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentages juist zijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsongeschiktheidspercentages van appellant juist zijn vastgesteld en verklaart het hoger beroep ongegrond.