Appellant was werkzaam als autospuiter en -monteur en meldde zich op 19 september 2017 ziek. Na een WIA-aanvraag stelde het UWV een arbeidsongeschiktheid van 26,03% vast, waarna bezwaar werd gemaakt. Het bezwaar leidde tot een herziening en een vaststelling van 65,49% arbeidsongeschiktheid per 17 september 2019, gebaseerd op rapporten van verzekeringsarts en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
Appellant voerde in beroep aan dat hij volledig arbeidsongeschikt is en dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen. Hij stelde dat de rechtbank onvoldoende waarde hechtte aan zijn bedrijfsartsrapport en dat een psycholoog als onafhankelijk deskundige had moeten worden benoemd. Ook betwistte hij de geschiktheid van de geselecteerde functies en de wijze van berekening van de resterende verdiencapaciteit.
De Raad volgde de rechtbank en het onafhankelijke verzekeringsgeneeskundig onderzoek, waarin werd geconcludeerd dat de beperkingen juist waren vastgesteld en de geselecteerde functies passend zijn. Er was geen schending van het beginsel van equality of arms en geen aanleiding om een psycholoog als deskundige te benoemen. De Raad oordeelde dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid had vastgesteld.
Daarnaast stelde de Raad vast dat de redelijke termijn voor de bestuursprocedure met circa zes maanden was overschreden, wat leidde tot een schadevergoeding van € 500,- aan appellant. Het UWV werd tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 437,50. De uitspraak bevestigt daarmee het bestreden besluit en wijst de schadevergoeding toe.