ECLI:NL:CRVB:2024:72
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking kinderbijslag wegens onvoldoende onderhoud kinderen uitwonend
Belanghebbende, onder bewind gesteld sinds 2013, vroeg kinderbijslag aan voor drie kinderen die niet tot zijn huishouden behoren, omdat zij uit huis geplaatst waren en in een woongroep of gezinshuis verbleven. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende aanvankelijk kinderbijslag toe, maar trok deze later in na onderzoek waaruit bleek dat de kinderen uitwonend waren en belanghebbende onvoldoende bewijs leverde van onderhoud.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende tegen de intrekking ongegrond. De rechtbank oordeelde dat de overgelegde bankafschriften en andere stukken niet overtuigend aantonen dat belanghebbende de kinderen in belangrijke mate heeft onderhouden. De intrekking werd niet in strijd geacht met artikel 8 EVRM Pro, mede omdat belanghebbende een uitkering ontvangt waarmee hij in zijn bestaan kan voorzien.
In hoger beroep voerde de bewindvoerder aan dat belanghebbende op eenvoudige wijze had voldaan aan de onderhoudseis en dat de intrekking grote financiële en sociale gevolgen had. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de kinderen in belangrijke mate heeft onderhouden en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van de kinderbijslag bleef in stand.
Uitkomst: De intrekking van de kinderbijslag wegens onvoldoende onderhoud van uitwonende kinderen wordt bevestigd.