ECLI:NL:CRVB:2024:815
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek pensioenbijtelling bij bijstand niet evident onredelijk
Appellant en zijn partner ontvingen in 2016 en 2017 bijstand waarbij het pensioen van de partner maandelijks in mindering werd gebracht. Appellant verzocht in 2020 om herziening van deze pensioenbijtelling, stellende dat het college ten onrechte het brutobedrag in mindering had gebracht in plaats van het nettobedrag. Tevens stelde appellant dat hij door een vermeende dubbele toepassing van loonheffingskorting een naheffing van de Belastingdienst had ontvangen.
Het college wees het herzieningsverzoek af omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat het college de afwijzing terecht had gemotiveerd en dat de afwijzing niet evident onredelijk was.
De Raad stelde vast dat appellant geen feitelijke onderbouwing had geleverd voor de stelling dat hij een naheffing had ontvangen. Ook als die naheffing zou hebben plaatsgevonden, liet dat onverlet dat appellant en zijn partner over het pensioen konden beschikken om in hun noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. Daarom was het niet onmiskenbaar onjuist om het brutobedrag in mindering te brengen op de bijstand.
Het hoger beroep werd afgewezen, en appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak bevestigt dat een verzoek om herziening zonder nieuwe feiten kan worden afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.
Uitkomst: Het herzieningsverzoek van appellant tot correctie van de pensioenbijtelling op de bijstand wordt afgewezen omdat de afwijzing niet evident onredelijk is.