ECLI:NL:CRVB:2015:3940
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herziening inkomensvoorziening en bijstand wegens geen nieuw gebleken feiten
Appellant ontving vanaf januari 2011 een ziektewetuitkering, toeslag en later bijstand. Het UWV herzag de ziektewetuitkering en toeslag en vorderde ruim €14.000,- terug omdat appellant per 12 januari 2011 hersteld was verklaard. Appellant verzocht het college om nabetaling van inkomensvoorziening en bijstand over dezelfde periode, maar dit werd afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep. Hij stelde dat de terugvordering door het UWV een nieuw feit was dat herziening rechtvaardigt, omdat hij achteraf niet over voldoende middelen beschikte en een schuld heeft. Subsidiair beriep hij zich op artikel 16 WWB Pro wegens zeer dringende redenen.
De Raad oordeelde dat de ziektewetuitkering en toeslag terecht als inkomen zijn aangemerkt en dat het feit dat appellant deze later moet terugbetalen niet betekent dat hij destijds niet over middelen beschikte. De schuld verandert niets aan de beoordeling van het inkomen in die periode. Ook het beroep op dringende redenen faalde omdat appellant toen al bijstand ontving.
De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien tot veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de inkomensvoorziening en bijstand wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuw gebleken feiten of dringende redenen.