Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:817

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 april 2024
Publicatiedatum
30 april 2024
Zaaknummer
20/4465 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming college

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake een bijstandsuitkering. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft appellante alsnog in aanmerking gebracht voor een bijstandsuitkering over de periode van 30 september 2019 tot en met 11 november 2019, waarmee volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.

Naar aanleiding hiervan heeft appellante het hoger beroep ingetrokken en verzocht het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft geen verweerschrift ingediend en het onderzoek ter zitting is achterwege gelaten.

De Raad heeft geoordeeld dat het college op grond van de toepasselijke artikelen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) veroordeeld kan worden in de proceskosten. De proceskosten zijn begroot op € 1.750,- voor het beroep en € 875,- voor het hoger beroep, plus vergoeding van de betaalde griffierechten.

De Centrale Raad van Beroep heeft het college veroordeeld tot betaling van in totaal € 2.625,- aan proceskosten en de griffierechten van € 48,- (beroep) en € 131,- (hoger beroep). De uitspraak is gedaan op 23 april 2024.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten aan appellante.

Uitspraak

Datum uitspraak: 23 april 2024
20/4465 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
8 december 2020, 20/100
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 20 februari 2023 heeft mr. Kramer namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat de Raad bij brief van 30 januari 2023 partijen heeft opgeroepen te verschijnen ter zitting op 21 februari 2023. In deze brief heeft de Raad een aantal aandachtspunten genoemd met betrekking tot de zaak, die hij met partijen op zitting wil bespreken. In dat verband heeft de Raad het college verzocht contact op te nemen met de gemachtigde van appellante om deze punten onderling nader te bespreken.
Mr. Kramer heeft vervolgens namens appellante het hoger beroep ingetrokken naar aanleiding van de omstandigheid dat het college appellante alsnog in aanmerking brengt voor een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande, over de periode van 30 september 2019 tot en met 11 november 2019. Hiermee is volledig aan de bezwaren van appellante tegemoetgekomen.
Het college wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.750,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 875,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift).
Ook dient het college het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.625,-;
  • bepaalt dat het college aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van € 48,- vergoedt;
  • bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 131,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2024.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen