ECLI:NL:CRVB:2024:857

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 mei 2024
Publicatiedatum
7 mei 2024
Zaaknummer
22/2712 MAW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een besluit van de staatssecretaris van Defensie. Tijdens de procedure is gebleken dat het bestuursorgaan volledig tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant, door het primaire besluit te herroepen en het bezwaar alsnog gegrond te verklaren.

Naar aanleiding hiervan heeft appellant het hoger beroep ingetrokken en verzocht om een proceskostenveroordeling van de staatssecretaris. De staatssecretaris heeft geen verweerschrift ingediend en het onderzoek is gesloten zonder nader onderzoek ter zitting.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat op grond van artikel 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht de staatssecretaris in de proceskosten moet worden veroordeeld. De kosten worden begroot op €3.665,82, inclusief griffierechten en reiskosten. De staatssecretaris wordt verplicht deze kosten aan appellant te vergoeden.

Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant van €3.665,82.

Uitspraak

Datum uitspraak: 2 mei 2024
22/2712 MAW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
13 juli 2022, 21/6069
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Borst hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 juni 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R. Boskma. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.J. Verdonk en ir. T. Venema. Aan het einde van de zitting is het onderzoek geschorst.
Bij brief van 5 september 2023 heeft mr. Borst namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
De staatssecretaris heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat de staatssecretaris een onderzoek naar de (blijvende) dienstongeschiktheid van appellant is gestart, naar aanleiding van dat wat op de zitting van
15juni 2023 is besproken. Inmiddels heeft appellant van de staatssecretaris vernomen dat het bedrijf voor Bijzondere Medische Beoordelingen (BMB) kenbaar heeft gemaakt dat appellant blijvend dienstongeschikt zal worden geacht.
De staatssecretaris heeft aan appellant laten weten dat tegemoet zal worden gekomen aan het hoger beroep, dat het bezwaar van appellant alsnog gegrond wordt verklaard en dat het primaire besluit zal worden herroepen.
Aldus is aan de bezwaren van appellant tegemoetgekomen. De staatssecretaris wordt daarom veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.750,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 1.750,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). De gemaakte reiskosten worden begroot op € 49,54 in beroep en € 116,28 in hoger beroep.
Ook dient de staatssecretaris het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
  • bepaalt dat de staatssecretaris aan appellant het in beroep betaalde griffierecht van
  • bepaalt dat de staatssecretaris aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 274,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2024.
(getekend) Y. Sneevliet
(getekend) A. Giesen