ECLI:NL:CRVB:2024:863
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering AOW-pensioen wegens verzekering in Frankrijk tijdens seizoenswerk
Appellant verrichtte in de jaren 1982 tot en met 1988 seizoenswerk in Frankrijk en woonde in Nederland. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde vast dat appellant in die periodes niet verzekerd was voor de AOW, omdat volgens Verordening 1408/71 de wetgeving van het land waar iemand werkt van toepassing is. Appellant maakte bezwaar tegen dit pensioenoverzicht, maar de Svb verklaarde het bezwaar slechts deels gegrond en handhaafde dat appellant in de genoemde periodes niet verzekerd was voor de AOW.
De rechtbank Amsterdam oordeelde dat de hoofdregel van toepassing was en de uitzondering voor personen die gelijktijdig in meerdere lidstaten werken niet van toepassing was, omdat appellant afwisselend werkte in Nederland en Frankrijk. Het beroep op het vertrouwensbeginsel, gebaseerd op informatie op de website van de Svb, werd verworpen.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze conclusie. De Raad stelde vast dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij gelijktijdig in twee lidstaten werkte of dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst waarbij hij door een werkgever in meerdere lidstaten werd ingezet. De Raad oordeelde dat de Franse socialezekerheidswetgeving van toepassing was in de periodes van seizoenswerk in Frankrijk en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagde omdat het Unierecht prevaleert.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht werd niet teruggegeven.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit tot weigering van AOW-verzekering blijft in stand.