ECLI:NL:CRVB:2024:957
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering na beoordeling functionele beperkingen en verdiencapaciteit
Appellante was ziekgemeld met vermoeidheids- en stemmingsklachten en ontving een ZW-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen, gebaseerd op een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidsdeskundige beoordeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen adequaat waren beoordeeld. Appellante voerde aan dat haar beperkingen, waaronder CVS en functionele neurologische stoornissen, onvoldoende waren meegewogen en dat een substantiële urenbeperking nodig was.
De Raad liet zich adviseren door een onafhankelijke verzekeringsarts die aanvullende beperkingen vaststelde, maar concludeerde dat appellante in passende arbeid acht uur per dag kan werken. De arbeidsdeskundige paste de FML aan, maar bevestigde dat appellante meer dan 65% van haar loon kan verdienen.
Hoewel het bestreden besluit niet deugdelijk was gemotiveerd, paste de Raad het gebrek toe en oordeelde dat belanghebbenden niet benadeeld zijn. Daarom blijft de beëindiging van de ZW-uitkering in stand. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De beëindiging van de ZW-uitkering per 5 december 2020 wordt bevestigd en het hoger beroep van appellante wordt afgewezen.