Deze zaak betreft een geschil over de compensatie van een transitievergoeding die een werkgever aan een werknemer heeft betaald in verband met bedrijfsbeëindiging wegens pensionering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) stelde dat de provisie over het derde kwartaal van 2021 niet meegenomen mocht worden bij de berekening van de transitievergoeding omdat deze niet verschuldigd was binnen de referteperiode van twaalf maanden voorafgaand aan het einde van de arbeidsovereenkomst. De werkgever betwistte dit standpunt.
De rechtbank Gelderland oordeelde dat het Uwv onjuist had gehandeld en dat de provisie over het derde kwartaal van 2021 wel moest worden meegenomen. Het Uwv ging tegen deze uitspraak in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en de conclusie van de advocaat-generaal dat het recht op provisie dat in de referteperiode is ontstaan bepalend is, ongeacht of de hoogte van de provisie al bepaalbaar was op het moment van beëindiging.
De Raad benadrukte dat de bewoordingen van artikel 2, derde lid, van het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding zo moeten worden uitgelegd dat het gaat om het recht op provisie over de referteperiode. Dit betekent dat de provisie over het derde kwartaal van 2021 bij de berekening van de transitievergoeding moet worden betrokken. Het Uwv moet een nieuwe berekening maken en een nieuwe beslissing nemen. Het beroep van het Uwv werd verworpen, en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.