Verzoeker had een bestuursrechtelijke procedure aangespannen tegen het college van burgemeester en wethouders van Heerlen, waarbij het hoger beroep was ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg. De procedure duurde vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 18 maart 2020 tot de intrekking van het hoger beroep op 10 juni 2025 ruim vijf jaar en twee maanden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel niet langer dan vier jaar mag duren. In deze zaak was de termijn met meer dan een jaar overschreden, zonder dat er aanknopingspunten waren om deze overschrijding te rechtvaardigen. De gehele overschrijding vond plaats in de rechterlijke fase.
Daarom werd aan verzoeker een immateriële schadevergoeding van €1.500 toegekend, te betalen door de Staat. Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op €533,50. Het hoger beroep werd ingetrokken na het bereiken van een schikking tussen verzoeker en het college.