Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 19 november 2024 ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig servicemonteur koffiemachines, meldde zich ziek per 1 juli 2020 en ontving aanvankelijk een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 11 maart 2021 vanwege onduidelijkheid over zijn arbeidsongeschiktheid. Na diverse onderzoeken concludeerden verzekeringsartsen dat appellant geschikt was voor zijn eigen werk vanaf die datum. Appellant reageerde niet inhoudelijk op deze rapporten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van het UWV ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de uitbetaalde bedragen na 10 maart 2021 voorschotten waren en het UWV terecht de uitkering weigerde op grond van artikel 45j ZW. Appellant voerde aan dat hij nooit geweigerd had mee te werken aan medisch onderzoek, maar dit verweer werd niet gehonoreerd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het standpunt van het UWV en de rechtbank. Omdat appellant geen procesbelang meer heeft bij beoordeling van eerdere besluiten, verklaart de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling of griffierechtvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 19 november 2024 wordt ongegrond verklaard.