Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, woonachtig in België en gerechtigd tot zorg in België ten laste van Nederland op grond van Vo 883/2004, is een buitenlandbijdrage verschuldigd voor deze zorg. Het geschil betreft de vraag of het bedrijfspensioen van appellant mag worden betrokken bij de berekening van deze buitenlandbijdrage.
Het CAK heeft de buitenlandbijdrage voor de jaren 2019 en 2020 vastgesteld inclusief het bedrijfspensioen, hetgeen appellant betwistte met beroep op het Unierecht en het arrest Knauer. De rechtbanken hebben de beroepen ongegrond verklaard en de bestreden besluiten in stand gelaten.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat het Unierecht zich niet verzet tegen het betrekken van het bedrijfspensioen bij de berekening van de buitenlandbijdrage, ook al valt het bedrijfspensioen niet onder de materiële werkingssfeer van Vo 883/2004. De Raad benadrukt dat het Nederlandse recht het totale wereldinkomen als grondslag hanteert, inclusief het bedrijfspensioen.
De Raad wijst erop dat het arrest Knauer niet van toepassing is op de Nederlandse situatie en dat er geen sprake is van ongunstige gevolgen voor appellant vanwege het gebruik van zijn recht op vrij verkeer. De hoger beroepen worden verworpen en de bestreden besluiten bevestigd.
Uitkomst: De buitenlandbijdrage mag inclusief het bedrijfspensioen worden berekend; hoger beroep wordt verworpen.