ECLI:NL:CRVB:2025:1066
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen bij laattijdige aanvraag
Appellant vroeg op 9 december 2021 een Wajong-uitkering aan vanwege clusterhoofdpijn, met het standpunt dat hij als jonggehandicapte moest worden aangemerkt. Het UWV weigerde de uitkering omdat appellant op de datum van aanvraag over arbeidsvermogen beschikte. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was en dat appellant minimaal vier uur per dag en één uur aaneengesloten kon werken.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij door de onvoorspelbaarheid en intensiteit van zijn aanvallen niet kon werken zonder risico op nieuwe aanvallen, en dat stress een grote trigger is. De Raad concludeerde echter dat deze argumenten onvoldoende onderbouwd waren met medische gegevens en dat het UWV terecht had vastgesteld dat appellant arbeidsvermogen had. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had bevestigd dat appellant in aanvalsvrije periodes wel belastbaar was en dat het risico op excessief ziekteverzuim niet aannemelijk was.
De Raad oordeelde dat het UWV het besluit tot weigering van de Wajong-uitkering terecht in stand had gelaten en dat appellant geen recht had op de uitkering. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens het beschikken over arbeidsvermogen op de datum van aanvraag.