Appellante, exploitant van kapsalons, vroeg op 8 april 2020 een NOW-1 subsidie aan op basis van een verwacht omzetverlies van 67%. De minister verleende een voorschot van €56.601,-. Later bleek het werkelijke omzetverlies 50% en was de loonsom in maart-mei 2020 lager dan driemaal de loonsom van januari 2020, wat leidde tot een subsidie van €19.141,- en een terugvordering van €37.460,-.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit, maar erkende een motiveringsgebrek en veroordeelde de minister tot vergoeding van het griffierecht. Appellante voerde aan dat de minister onjuiste loonsommen hanteerde en dat de terugvordering onevenredig was, mede omdat twee werknemers uit eigen beweging vertrokken waren.
De Raad onderschrijft de berekening van de minister en wijst het beroep op exceptieve toetsing af. De minister had een belangenafweging moeten maken bij de lagere vaststelling, maar het financiële nadeel voor appellante is niet onevenredig, mede omdat zij op de hoogte was van het risico en geen bewijs leverde van onvermogen tot terugbetaling.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de minister niet veroordeelde in de proceskosten en veroordeelt de minister tot vergoeding van €2.721,- aan proceskosten en het betaalde griffierecht van €559,-. Voor het overige wordt de uitspraak bevestigd.