Uitspraak
PROCESVERLOOP
.Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.L.P. van Unnik.
Centrale Raad van Beroep
Appellant is geïndiceerd voor langdurige zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) en had een aanvraag ingediend voor een persoonsgebonden budget (pgb) vanaf juni 2021. Het zorgkantoor weigerde dit pgb te verlenen omdat appellant en de beoogde hulp niet in staat werden geacht het pgb adequaat te beheren en passende zorg in te kopen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze weigering ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in, maar de Centrale Raad van Beroep stelde ambtshalve de vraag of appellant nog procesbelang had bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Appellant woont niet meer in het huis van de zorgverlener en ontvangt geen zorg meer van deze zorgverlener.
Hoewel appellant stelde dat hij schade had geleden door eerder geleverde zorg, bleek uit een civiel vonnis dat deze schade betrekking had op een eerdere periode dan waarvoor het pgb was aangevraagd. Hierdoor ontbrak het procesbelang voor het huidige hoger beroep.
De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De zaak werd niet inhoudelijk behandeld.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.