ECLI:NL:CRVB:2025:1079
Centrale Raad van Beroep
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en onjuiste maatmanberekening
Appellante, werkzaam als medewerker civiel onderhoud, werd door het UWV geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De medische beoordeling, gebaseerd op verzekeringsgeneeskundige onderzoeken en een Functionele Mogelijkhedenlijst, werd door de rechtbank en de Raad als zorgvuldig en juist beoordeeld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen, met name door fibromyalgie en psychische klachten, werden onderschat en dat de STECR-richtlijn niet werd gevolgd. Tevens stelde zij dat de geselecteerde functies ongeschikt waren en dat het maatmaninkomen onjuist was vastgesteld.
De Raad bevestigde de medische grondslag en de geschiktheid van de functies, maar oordeelde dat het UWV ten onrechte de referteperiode voor het maatmaninkomen had beperkt tot juli 2018 tot januari 2019. De maanden februari tot en met juni 2018, waarin appellante een stabiel en representatief inkomen had, waren ten onrechte buiten beschouwing gelaten.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit niet deugdelijk was gemotiveerd wat betreft de arbeidskundige grondslag en droeg het UWV op binnen zes weken het besluit te herzien en een nieuwe berekening te maken van het maatmaninkomen over de volledige referteperiode.
Uitkomst: Het UWV moet het besluit herzien en het maatmaninkomen opnieuw berekenen over een langere referteperiode.