Appellant, bekend met verslavingsproblematiek en vertegenwoordigd door een bewindvoerder, kreeg voor de periode 1 juli 2022 tot 30 juni 2023 een pgb toegekend voor thuisondersteuning. Het college weigerde op 10 juli 2023 de verlenging van dit pgb omdat de bewindvoerder niet bereid was de eindverantwoordelijkheid voor alle pgb-taken te nemen, gebaseerd op artikel 12, tweede lid, van de Beleidsregels gemeente Leeuwarden.
Na bezwaar verklaarde het college het bezwaar gegrond en verlengde het pgb tijdelijk met een overgangstermijn, maar de rechtbank handhaafde het besluit. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die oordeelde dat het college met de beleidsregel een te beperkte invulling had gegeven aan de beslissingsruimte van artikel 2.3.6, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2015.
De Raad stelde dat het feit dat de bewindvoerder niet de eindverantwoordelijkheid wil nemen niet automatisch uitsluit dat appellant met hulp van zijn sociale netwerk of vertegenwoordiger de pgb-taken verantwoord kan uitvoeren. Daarom mocht het college het pgb niet weigeren op die grond. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college, en beval een nieuwe beslissing waarbij de juiste wettelijke maatstaven worden toegepast.
Daarnaast veroordeelde de Raad het college in de proceskosten en bepaalde dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Raad mogelijk is.