ECLI:NL:CRVB:2025:1274
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op studiefinanciering wegens verlies migrerend werknemerschap na vrijwillige werkloosheid
Appellante, met de Italiaanse nationaliteit, werkte tot eind juli 2020 in de horeca en ontving studiefinanciering voor een wo-bacheloropleiding. Na vrijwillig werkloos te zijn geworden, startte zij in september 2020 een nieuwe studie en begon in oktober 2020 een betaalde stage bij een museum. De minister weigerde studiefinanciering voor september 2020 tot en met januari 2021, waarop appellante bezwaar maakte. De rechtbank vernietigde het besluit voor november 2020 tot en met januari 2021, maar oordeelde dat zij in september en oktober 2020 geen recht had op studiefinanciering omdat zij haar status als migrerend werknemer niet had behouden.
Appellante stelde in hoger beroep dat zij haar status had behouden omdat zij tijdelijk gestopt was met werken om zich te richten op haar studie en carrière, en verwees naar artikel 7, derde lid, van Richtlijn 2004/38. De minister betoogde dat zij vrijwillig werkloos was geworden en niet voldeed aan de voorwaarden voor behoud van de status.
De Raad concludeerde dat het Unierecht geen behoud van de status van werknemer toestaat bij vrijwillige werkloosheid, behalve bij het starten van een beroepsopleiding die verband houdt met de eerdere werkzaamheden, wat hier niet het geval was. Omdat appellante niet kon aantonen dat zij haar status had behouden, werd het beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Appellante heeft geen recht op studiefinanciering over september en oktober 2020 omdat zij haar status als migrerend werknemer niet heeft behouden na vrijwillige werkloosheid.