ECLI:NL:CRVB:2025:1281
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd wegens arbeidsongeschiktheid, maar het UWV heeft deze geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en selecteerde passende functies voor appellante. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde het besluit van het UWV in stand.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat de beperkingen in de FML niet volledig waren, met name op het gebied van lopen, staan, dynamische handelingen en concentratieproblemen. Zij vroeg om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat de FML adequaat was aangepast en dat er geen reden was om aan de juistheid van de medische beoordeling te twijfelen.
De Raad wees ook het beroep op het arrest Korošec af, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle beschikbare medische informatie had betrokken en er geen schending was van het beginsel van equality of arms. Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling concludeerde de Raad dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren voor appellante.
Het hoger beroep werd verworpen, waarmee de weigering van de WIA-uitkering per 1 mei 2023 definitief bleef. Appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter F.M. Rijnbeek op 20 augustus 2025.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.