ECLI:NL:CRVB:2025:1282
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering Wajong-uitkering wegens niet duurzaam ontbreken arbeidsvermogen bevestigd
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan wegens vermeend duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen door ME/CVS en gevolgklachten. Het UWV weigerde de uitkering na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit. Appellante stelde dat zij duurzaam geen arbeidsvermogen had en dat het UWV het beoordelingskader niet correct toepaste.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht het standpunt innam dat appellante op haar achttiende verjaardag en de vijf jaar daarna over arbeidsvermogen beschikte, waardoor zij niet als jonggehandicapte in de zin van de Wajong kon worden aangemerkt. De Raad volgde het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die concludeerde dat appellante ten minste vier uur per dag belastbaar was, over basale werknemersvaardigheden beschikte en ten minste één uur aaneengesloten kon werken.
De Raad verwierp het beroep van appellante op equality of arms en het verzoek tot inschakeling van een onafhankelijke deskundige. Hoewel het UWV het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende motiveerde, werd dit gebrek gepasseerd omdat de belanghebbenden niet benadeeld zijn en het besluit ook met een juiste motivering hetzelfde zou zijn. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen, maar het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat appellante op haar achttiende verjaardag en de vijf jaar daarna arbeidsvermogen had.