ECLI:NL:CRVB:2025:1290
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- G.C. Boot
- S.B. SmitColenbrander
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere vaststelling NOW-1 subsidie wegens lager omzetverlies en loonsom
Appellante, een schoonmaakbedrijf, vroeg op 6 april 2020 een NOW-1 subsidie aan op basis van een verwacht omzetverlies van 40%. De minister verleende een voorschot van €39.630,-. Bij definitieve vaststelling bleek het werkelijke omzetverlies 31% en was de loonsom in de subsidieperiode lager dan driemaal de referentiemaand, waardoor de subsidie werd vastgesteld op €28.200,- en een bedrag van €11.430,- werd teruggevorderd. Appellante maakte bezwaar en stelde dat maatwerk moest worden toegepast, onder meer vanwege het verschil in aantal werkdagen in januari 2020 en het loon van twee werknemers die uit dienst waren gegaan.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de minister terecht is uitgegaan van de loonsom in januari 2020 zonder correctie voor werkdagen of uitdiensttreding. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De NOW-1 regeling is bedoeld om werkgelegenheid te behouden en stimuleert werkgevers om de loonsom gelijk te houden. Het financiële nadeel voor appellante wordt niet als onevenredig beoordeeld.
De Raad benadrukt dat het beleid en de wettelijke bepalingen geen ruimte bieden voor maatwerk in deze situatie. De terugvordering is terecht en appellante kan de lagere subsidie uit de resterende omzet financieren. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de lagere vaststelling van de NOW-1 subsidie bevestigd.