Appellante ontving ten onrechte een wezenuitkering van april tot en met september 2015, waarna de Sociale Verzekeringsbank (Svb) een terugvordering van €4.524,02 instelde. Na herberekening werd vastgesteld dat appellante vanaf 1 januari 2022 maandelijks €31,50 moest terugbetalen. Appellante weigerde betaling en beriep zich op persoonlijke en familiale omstandigheden als dringende reden om van invordering af te zien.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond vanwege onvoldoende onderbouwing van appellante omtrent haar financiële situatie en mentale gezondheid. De Raad bevestigt dit oordeel in hoger beroep. De hardheidsclausule van artikel 3, zevende lid, van de Regeling Anw kan slechts toepassing vinden bij een kennelijk onredelijk resultaat, waarvoor appellante onvoldoende bewijs leverde.
De Raad benadrukt dat de terugvordering aan appellante als gerechtigde is gericht en niet aan haar grootmoeder. Hoewel de Svb nog geen invorderingsmaatregelen heeft getroffen en bereid is het besluit te heroverwegen bij nadere informatie, blijft het bestreden besluit in stand. Appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.