ECLI:NL:CRVB:2025:1347
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning faillissementsuitkering per 1 april 2021 wegens betalingsonmacht werkgever
Appellante werkte als kok bij werkgeefster en werd ziekgemeld op 22 december 2020. Werkgeefster stopte met loonbetaling en vroeg ontslag aan wegens bedrijfseconomische redenen. Het Uwv weigerde aanvankelijk een faillissementsuitkering wegens het ontbreken van blijvende betalingsonmacht. Appellante stelde dat de betalingsonmacht al eerder bestond en maakte aanspraak op loon over de opzegtermijn en de dertien weken daarvoor.
De rechtbank oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat er vóór 1 april 2021 sprake was van betalingsonmacht, mede omdat werkgeefster in januari 2021 nog betalingen verrichtte en er geen andere onbetaalde werknemersvorderingen waren. Het Uwv kende uiteindelijk alsnog een faillissementsuitkering toe per 1 april 2021, de datum waarop de bedrijfsactiviteiten werden gestaakt.
In hoger beroep handhaafde de Raad dit oordeel. Uit bankafschriften en een voorschot op NOW-3 blijkt dat werkgeefster in januari tot maart 2021 nog betalingen kon verrichten. De Raad concludeert dat de betalingsonmacht pas vanaf 1 april 2021 is ingetreden. Appellante kon niet aannemelijk maken dat eerder sprake was van blijvende betalingsonmacht. De toekenning van de faillissementsuitkering per 1 april 2021 blijft daarom in stand.
De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt het bestreden besluit. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De faillissementsuitkering is terecht toegekend per 1 april 2021 en niet eerder.