Appellante ontvangt sinds 2018 een IVA-uitkering op grond van de Wet WIA. Het UWV had het dagloon voor de uitkering aanvankelijk vastgesteld op €3,64, later verhoogd naar €10,76 na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
Tijdens het hoger beroep nam het UWV op 27 september 2024 een gewijzigde beslissing waarin het dagloon werd vastgesteld op €78,03, waarmee het volledig tegemoet kwam aan de bezwaren van appellante. Appellante gaf aan dat zij met dit besluit instemde en verzocht om vergoeding van proceskosten en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de termijn niet was overschreden.