ECLI:NL:CRVB:2025:1364
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens onvoldoende bewijs studerende periode
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, stellende dat hij in 2009 en 2010 een opleiding volgde en daardoor als studerende in de zin van de Wajong moet worden aangemerkt. Het UWV heeft de aanvraag geweigerd wegens het ontbreken van bewijsstukken die het studeren in die periode aantonen.
De rechtbank heeft het beroep tegen deze weigering ongegrond verklaard, stellende dat appellant onvoldoende bewijs heeft geleverd dat hij ten minste zes maanden studeerde en de studie vanwege arbeidsongeschiktheid staakte. Appellant heeft in hoger beroep slechts algemene informatie en verklaringen overgelegd, die onvoldoende zijn om het standpunt te ondersteunen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad benadrukt dat het bewijsrisico bij een laattijdige aanvraag bij de aanvrager ligt en dat appellant niet heeft kunnen aantonen dat hij de opleiding heeft gevolgd. Ook het aanvankelijke invullen van het aanvraagformulier met negatieve antwoorden over de studieperiode ondermijnt zijn stelling.
De Raad bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en laat de weigering van de Wajong-uitkering in stand. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De weigering van de Wajong-uitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende bewijs van studerende periode.