Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
In deze zaak stond centraal of het UWV terecht een IVA-uitkering aan een (ex-)werkneemster toegekend had vanaf 30 april 2019 en niet eerder. De Raad had eerder geoordeeld dat de medische beoordeling in de bestreden besluiten onvoldoende was gemotiveerd en het UWV opgedragen dit te herstellen. Het UWV slaagde hier niet in.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep had in rapporten aangegeven dat beperkingen door schouderklachten vanaf 14 februari 2016 duurzaam waren, maar de beperkingen door psychische klachten niet. De Raad volgde dit niet en concludeerde dat de beperkingen door psychische klachten vanaf 14 februari 2016 ook duurzaam waren, mede omdat de FML’en vanaf die datum veel beperkingen en een forse urenbeperking bevatten.
De Raad vernietigde de eerdere besluiten en bepaalde zelf dat de werkneemster vanaf 14 februari 2016 recht heeft op een IVA-uitkering. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin op 24 september 2025.
Uitkomst: Werkneemster krijgt met ingang van 14 februari 2016 recht op een IVA-uitkering wegens onvoldoende motivering van eerdere besluiten.