ECLI:NL:CRVB:2025:1498
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om hem vanaf 25 juli 2022 geen WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij volgens het UWV slechts 33,83% arbeidsongeschikt is. Hij stelt dat zijn fysieke en psychische beperkingen en slaapstoornissen onvoldoende zijn meegenomen, en dat een multidisciplinaire benadering ontbrak. De rechtbank Rotterdam heeft het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit in stand gelaten.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank bevestigd. De Raad oordeelt dat het onderzoek door de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zorgvuldig is uitgevoerd en dat de combinatie van klachten voldoende is meegewogen. De slaapproblemen worden niet als ziekte aangemerkt, mede door factoren als een onregelmatig dag-nachtritme en alcoholgebruik. De gevolgen van twee TIA’s in april 2023 vallen buiten de beoordeling, die zich richt op de situatie per 25 juli 2022.
Appellant heeft geen nieuwe medische informatie aangevoerd die het oordeel van het UWV onderbouwt. Ook is geen sprake van schending van het equality of arms-beginsel, omdat appellant voldoende gelegenheid heeft gehad zijn standpunten te onderbouwen. De geselecteerde functies zijn passend en overschrijden de belastbaarheid niet. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige is afgewezen. De Raad bevestigt de weigering van de WIA-uitkering en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.