ECLI:NL:CRVB:2025:1502

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 oktober 2025
Publicatiedatum
14 oktober 2025
Zaaknummer
24/2775 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging van de ZW-uitkering van appellante door het Uwv

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 8 oktober 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Overijssel. Appellante, die voorheen als productiemedewerker werkte, had zich op 25 juli 2022 ziekgemeld en ontving een Ziektewet (ZW) uitkering. Het Uwv beëindigde haar uitkering per 8 september 2023, omdat zij in staat werd geacht meer dan 65% van haar laatst verdiende loon te kunnen verdienen. Appellante was het niet eens met deze beslissing en stelde dat haar beperkingen niet goed waren ingeschat. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, wat leidde tot het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat het Uwv de ZW-uitkering terecht had beëindigd, omdat er voldoende medische en arbeidskundige grondslagen waren voor deze beslissing. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat appellante geen recht had op vergoeding van proceskosten of griffierecht, aangezien het hoger beroep niet slaagde.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 5 november 2024, 24/3074 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 oktober 2025

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de ZW-uitkering van appellante terecht per 8 september 2023 heeft beëindigd. Appellante vindt dat zij toen door haar beperkingen niet in staat was om passende functies te verrichten, zodat zij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZWuitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. Aslan, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft een nader stuk overgelegd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 augustus 2025. Voor appellante is mr. Aslan verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als productiemedewerker voor gemiddeld 30,38 uur per week. Op 25 juli 2022 heeft zij zich ziekgemeld met lichamelijke klachten. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een Eerstejaars Ziektewetbeoordeling heeft appellante het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een zogeheten Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 juli 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk en voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 7 augustus 2023 de ZW-uitkering van appellante met ingang van 8 september 2023 beëindigd, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.
1.2.
Bij besluit van 6 juni 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Wel heeft de rechtbank aanleiding gezien het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante en te bepalen dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht vergoedt.
2.1.
Volgens de rechtbank vertoont het medisch onderzoek door het Uwv geen gebreken en is niet gebleken dat de (verzekerings-)artsen van het Uwv relevante aspecten van de gezondheidstoestand van appellante hebben gemist.
2.2.
Ook heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de uitkomst van de medische beoordeling. Bij die beoordeling is uitgegaan van de diagnoses aspecifieke chronische rugpijn, depressieve episode en pijn in de bovenste extremiteiten. Appellante is in verband hiermee aangewezen op rugsparend en schoudersparend werk en er zijn beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren vastgesteld. Verder is geconcludeerd dat appellante is aangewezen op een werkbelasting zonder onregelmatige diensten of nachtdiensten omdat voor het herstel nachtrust nodig is. Appellante dient ontzien te worden qua sterke tijdsdruk en dwingend hoge tempobelasting en zij dient niet te veel blootgesteld te worden aan conflicterende functie-eisen. Er dient rekening gehouden te worden met verminderde conflicthantering en wegens medicatiegebruik is het beroepsmatig rijden of bedienen van gevaarlijke machines niet verantwoord. In beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een aangepaste FML van 30 augustus 2024 overgelegd, waarin appellante aanvullend beperkt is geacht voor onregelmatige diensten. Appellante heeft niet met medische documenten aannemelijk gemaakt dat de in de rubrieken fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen vastgelegde beperkingen onvoldoende of onjuist zouden zijn.
2.3.
Met betrekking tot de psychische klachten heeft de rechtbank overwogen dat de in bezwaar (en ook in beroep) overgelegde brief van PsyM van 25 januari 2024 bij de beoordeling is betrokken. Deze brief betreft een verslag van een intakegesprek op 1 augustus 2022, waarin een voorlopige DSM-5 classificatie wordt vermeld (depressieve stoornis; recidiverende episode – ernstig, posttraumatische stressstoornis) en waarin een behandelvoorstel is opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze brief niet dat de psychische situatie van appellante op de datum hier in geding (8 september 2023) onjuist is ingeschat door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is uitgegaan van een depressie, die bij perioden erger is geweest, maar nu in remissie lijkt. De brief van 25 januari 2024 geeft geen nadere informatie over de situatie rondom de datum in geding. Ter onderbouwing van het standpunt dat haar psychische klachten zijn onderschat, heeft appellante verder ter zitting gewezen op het verslag van de primaire arts, waarin is vermeld dat haar psychische klachten zijn verergerd. Ook dit biedt geen aanknopingspunt voor twijfel aan de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De aangehaalde passage uit het verslag van de primaire arts betreft de anamnese, waarbij appellante zelf heeft aangegeven dat haar psychische klachten zijn verergerd. Tijdens de hoorzitting is verder gebleken dat appellante inmiddels is gescheiden, dat de problemen met de schulden van haar (ex-)man zijn opgelost, dat geen intensievere behandeling in de GGZ is opgestart en dat de behandeling bij de psycholoog is gestopt. Verder heeft eiseres een nieuwe baan voor twintig uur per week opgepakt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in deze nieuwe gegevens geen aanleiding gezien om te concluderen dat er nieuwe of ernstigere diagnoses zijn gevonden dan die al bekend waren tijdens de beoordeling door de primaire arts. Er is sprake van een depressie, welke bij perioden erger is geweest, maar die nu in remissie lijkt. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de hierbij aangenomen beperkingen in de rubrieken persoonlijk functioneren en sociaal functioneren onvoldoende zouden zijn.
2.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door appellante genoemde urenbeperking niet aangewezen geacht. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid urenbeperking aan dat er op energetische gronden een urenbeperking kan worden gegeven en dat een urenbeperking ook kan worden aangenomen bij een ernstige depressie. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is dat bij eiseres niet aan de orde omdat zij per datum in geding, 8 september 2023, aan het opknappen was van de depressie. De behandeling bij de psycholoog was in frequentie verminderd (en per april 2024 gestopt) en ook de dosering van de antidepressiva en het over langere tijd constant blijven van deze dosering duidt op een vrij stabiel beeld. Dat appellante meent niet meer dan twintig uur per week te kunnen werken, heeft zij verder niet met medische gegevens onderbouwd. Tot slot heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat de beperkingen die zijn gesteld in verband met haar medicatiegebruik onvoldoende zijn.
2.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd waarom de geselecteerde functies geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellante op de in geding zijnde datum. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 31 mei 2024 en 9 september 2024 toegelicht waarom de functies geschikt zijn. Deze toelichtingen acht de rechtbank begrijpelijk.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, behoudens de bepalingen over de veroordeling in de proceskosten en de vergoeding van het griffierecht. Appellante heeft herhaald dat onvoldoende rekening is gehouden met de diagnosen zoals die vermeld worden in de brief van PsyM van 25 januari 2024 en dat de verslechtering van haar mentale situatie al vóór de datum in geding begonnen was. Dit blijkt volgens appellante ook uit de twee verslagen van de re-integratiebegeleider van 4 april 2023 en 19 mei 2023. Als gevolg hiervan is in de FML ten onrechte geen urenbeperking opgenomen en is de beperking ten aanzien van verhoogd persoonlijk risico als gevolg van haar medicatiegebruik ten onrechte beperkt tot het bedienen van gevaarlijke machines.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat dit zo is en dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatst verdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. [1] Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. Het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd.
5.3.
In hoger beroep heeft appellante een nieuw stuk van PsyM van 15 april 2025 overgelegd. De daarin neergelegde informatie is niet anders dan de eerder overgelegde informatie van PsyM die al in de beoordeling is betrokken en vormt daarom geen aanleiding anders te oordelen dan hiervoor is overwogen.

Conclusie en gevolgen

6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt, voor zover aangevochten, bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2025.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) C.M. Snellenberg

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920.