ECLI:NL:CRVB:2025:1506
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering Wajong-uitkering wegens niet duurzaam ontbreken arbeidsvermogen
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd op grond van het oordeel dat zij arbeidsvermogen had of dat het ontbreken daarvan niet duurzaam was. Na bezwaar en beroep werd dit standpunt door de rechtbank grotendeels bevestigd. Appellante stelde in hoger beroep dat haar arbeidsongeschiktheid was toegenomen en zij daarom recht had op de uitkering.
De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts die concludeerde dat het ontbreken van arbeidsvermogen in de relevante periode niet duurzaam was, mede omdat er nog behandelmogelijkheden waren die verbetering konden brengen. De Raad volgde dit oordeel en oordeelde dat appellante niet als jonggehandicapte kon worden aangemerkt.
Daarnaast werd vastgesteld dat de procedure de redelijke termijn had overschreden, waardoor een schadevergoeding van €1.500,- aan appellante werd toegekend. De Raad veroordeelde het UWV en de Staat tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarmee de weigering van de Wajong-uitkering in stand bleef.
Uitkomst: De weigering van de Wajong-uitkering wordt bevestigd omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is, met toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.