ECLI:NL:CRVB:2025:1537

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
23/3270 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.T.H. Zimmerman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar bijzondere bijstand griffierecht wegens ontbreken belang

Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor griffierechtkosten van procedures bij rechtbank en Raad. Het college kende deze bijstand toe, maar verklaarde het bezwaar tegen deze toekenning niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang.

De rechtbank bevestigde dit oordeel, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat appellant geen beter resultaat kan bereiken omdat de bijstand is toegekend. Tevens is schade als gevolg van het besluit niet concreet gemaakt en op voorhand onaannemelijk.

De Raad verwijst naar vaste rechtspraak dat procesbelang vereist dat het nastreven van een resultaat feitelijke betekenis heeft. Ook een mogelijk verzoek om schadevergoeding vereist aannemelijkheid van schade, die hier ontbreekt.

De Raad concludeert dat het hoger beroep faalt en bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman op 14 oktober 2025.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar blijft niet-ontvankelijk wegens ontbreken van belang.

Uitspraak

23/3270 PW
Datum uitspraak: 14 oktober 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 november 2023, 23/2355 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen (college)

SAMENVATTING

Deze zaak gaat om een bezwaar dat niet-ontvankelijk is verklaard vanwege het ontbreken van belang. Met het college en de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant geen belang heeft, omdat hij de gevraagde bijzondere bijstand heeft gekregen. Daarnaast vindt de Raad het op voorhand onaannemelijk dat appellant schade heeft geleden, omdat appellant de schade niet heeft geconcretiseerd. Van een situatie waarin de aard en de ernst van de (gestelde) normschending kan meebrengen dat de in dat verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, is in deze zaak geen sprake.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 september 2025. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V. Djordjevic.

OVERWEGINGEN

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft op 10 maart 2023 bijzondere bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet voor de kosten van griffierecht, onder meer voor de procedure bij de rechtbank met kenmerk 23/830 en voor de procedure bij de Raad met kenmerk 23/650. Met een besluit van 25 april 2023 heeft het college bijzondere bijstand voor de gevraagde kosten toegekend. Tegen dat besluit heeft appellant bezwaar gemaakt, omdat het college de bijzondere bijstand pas heeft toegekend na het verstrijken van de (eerste) termijn waarbinnen appellant het griffierecht had moeten betalen.
1.2.
Met een besluit van 17 mei 2023 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 april 2023 niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van voldoende procesbelang. Aan het bestreden besluit ligt, samengevat weergegeven, ten grondslag dat aan appellant is toegekend wat hij heeft aangevraagd en dat het op voorhand onaannemelijk is dat appellant schade heeft geleden.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Appellant heeft, samengevat weergegeven, aangevoerd dat hij schade heeft geleden en dat het bezwaar om die reden ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard vanwege het ontbreken van belang. In dit verband heeft appellant onder meer gewezen op een arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2021. [1] Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang.
4.1.1.
Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of (hoger) beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. [2] In deze zaak staat vast dat appellant in materiële zin geen beter resultaat kan bereiken. Het college heeft immers overeenkomstig de aanvraag van appellant bijzondere bijstand verleend voor het griffierecht ten behoeve van de in 1.1 genoemde procedures.
4.1.2.
Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven als de betrokkene een uitspraak wenst met het oog op een verzoek om schadevergoeding. Dan is echter wel vereist dat het bestaan van schade als gevolg van de besluitvorming niet op voorhand onaannemelijk is. Ook dit volgt uit eerdere rechtspraak. [3] In het geval van appellant is hier niet aan voldaan. Appellant heeft naar voren gebracht dat het college niet binnen de termijn waarbinnen hij het griffierecht heeft moeten voldoen op zijn aanvraag heeft beslist. Dat appellant hierdoor schade heeft geleden, heeft hij echter niet geconcretiseerd. De schade kan, anders dan appellant heeft aangevoerd, in ieder geval niet de inzet zijn van de bedragen aan bijzondere bijstand die in de in 1.1 genoemde procedures bij de rechtbank en de Raad aan de orde waren. De zaken die aan die procedures ten grondslag liggen, zijn immers inhoudelijk behandeld en afgedaan, waarvan de zaak bij de Raad bij uitspraak van heden. Dit maakt ook dat de verwijzing van appellant naar het in 4.1 genoemde arrest hem niet kan baten. Uit dat arrest volgt, zoals appellant terecht heeft opgemerkt, dat de aard en de ernst van de normschending kan meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Die situatie doet zich hier echter niet voor. Nog daargelaten of hier gesproken kan worden van een door het college geschonden norm, zijn de zaken door de rechtbank en de Raad – zoals zojuist overwogen – immers inhoudelijk behandeld. Dat het college de bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht voor de procedure bij de Raad met kenmerk 23/650 inmiddels heeft teruggevorderd, omdat hij in die procedure was vrijgesteld van het betalen van griffierecht, leidt niet tot een ander oordeel. Als appellant door de terugvordering al schade zou hebben, dan is die schade geen gevolg van de hier gestelde geschonden norm. Aldus is bij gebreke van enig concreet gegeven over mogelijke schade in de voorliggende procedure op voorhand onaannemelijk dat appellant als gevolg van het bestreden besluit schade heeft geleden.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van H.Z. Şipal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2025.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) H.Z. Şipal

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.