Appellante, geboren in 1951, ondervindt beperkingen bij huishoudelijke taken en ontvangt op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp. Het college van burgemeester en wethouders van Dronten heeft een besluit genomen waarbij appellante een hulp van 3 uur en 14 minuten per week werd toegekend, gebaseerd op het HHM Normenkader 2019. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellante ging in hoger beroep.
De Raad beoordeelde dat het HHM Normenkader 2019 een deugdelijk, onafhankelijk onderzoek is dat als uitgangspunt mag dienen voor het resultaat schoon en leefbaar huis. Voor de wasverzorging echter is onduidelijk hoe de normtijden zijn vastgesteld, waardoor het kader daarvoor niet als uitgangspunt kan worden gebruikt. De Raad concludeert dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar extra tijd voor het in- en uitruimen van de vaatwasser en de noodzakelijke wasbeurten.
De Raad vernietigt het bestreden besluit voor zover het de wasverzorging en het in- en uitruimen van de vaatwasser betreft en draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen. Tot die tijd wordt appellante een voorlopige voorziening toegekend van 4 uur en 13 minuten huishoudelijke hulp per week. Tevens krijgt appellante een proceskostenvergoeding en terugbetaling van griffierechten.