Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2025:1563

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
24/1346 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 27b.1 ARBAAArt. 9b:1 CAR/UWO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen besluit in zaak over toepassing FLO-overgangsrecht voor brandweerman

Appellant, een brandwacht die sinds 2008 bij de Brandweer werkt, vroeg of hij aanspraak kon maken op het FLO-overgangsrecht zoals bepaald in artikel 27b.1 van de ARBAA. Het dagelijks bestuur stelde in een brief van 1 juni 2023 dat hij niet onder dit overgangsrecht valt omdat hij op 31 december 2005 niet werkzaam was bij een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps.

Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, maar het dagelijks bestuur verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit was. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit oordeel en stelde dat de brief geen wijziging of vaststelling van de rechtspositie van appellant inhield.

In hoger beroep voerde appellant aan dat de brief wel een besluit was en dat hij recht had op FLO. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de brief slechts informatie bevatte en geen publiekrechtelijke rechtshandeling was gericht op rechtsgevolg. Ook was er geen sprake van een bestuurlijk rechtsoordeel dat gelijkgesteld kon worden aan een besluit.

De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding. Hiermee blijft de rechtspositie van appellant ongewijzigd en geldt voor hem de regeling voor een tweede loopbaan zoals opgenomen in het aanstellingsbesluit van 10 januari 2008.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit blijft in stand omdat de brief geen besluit is.

Uitspraak

24/1346 AW
Datum uitspraak: 23 oktober 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2024, 24/528 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland (dagelijks bestuur)
SAMENVATTING
De Raad oordeelt in deze zaak dat de brief waarin het dagelijks bestuur appellant heeft laten weten dat het FLO-overgangsrecht voor hem niet geldt, geen besluit is. Ook is geen sprake van een bestuurlijk rechtsoordeel dat daarmee op één lijn moet worden gesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.F.A.M. Weijling, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 september 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Weijling. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G.E.A. Frederix-Gianotten en K. van der Kaaden.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is geboren in 1973 en heeft in de periode van 25 augustus 2003 tot 31 maart 2008 gewerkt als buschauffeur bij het [werkgever]. Sinds 1 april 2008 is hij aangesteld bij de Brandweer [plaats] als (aspirant) brandwacht. In het aanstellingsbesluit van 10 januari 2008 is opgenomen dat appellant maximaal 20 jaar een repressieve functie kan bekleden en dat met hem een loopbaanplan zal worden opgesteld zodat hij na maximaal 20 jaar kan overstappen naar een andere en minder belastende functie. Dit is de regeling voor een tweede loopbaan als bedoeld in hoofdstuk 27a van de Aanvullende Rechtspositieregeling Brandweer Amsterdam-Amstelland (ARBAA). De regeling is van toepassing op medewerkers die vanaf 1 januari 2006 in dienst zijn getreden in een bezwarende functie en kent geen vorm van functioneel leeftijdsontslag (FLO).
1.2.
In 2018 zijn met appellant gesprekken gevoerd over de tweede loopbaan en zijn afspraken gemaakt over de uitvoering daarvan. Appellant is vervolgens met het loopbaantraject gestart. Appellant heeft de opleiding Specialist Brandpreventie gevolgd en in oktober 2021 afgerond. De kosten van deze opleiding en het daarvoor afgelegde assessment zijn door het dagelijks bestuur vergoed. Daarna is appellant voor de periode van 1 januari 2022 tot 1 juli 2022 gedetacheerd bij de afdeling Risicobeheersing om werkervaring te kunnen opdoen.
1.3.
Appellant heeft in een gesprek op 22 december 2022 gevraagd of hij aanspraak kan maken op het overgangsrecht voor ambtenaren in een functie die op 31 december 2006 recht gaf op FLO zoals bepaald in artikel 27b.1 van de ARBAA.
1.4.
Met een brief van 1 juni 2023 heeft het dagelijks bestuur aan appellant laten weten dat hij niet onder het overgangsrecht valt, omdat hij op 31 december 2005 niet werkzaam was bij een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps of bij een gemeentelijke ambulancedienst.
1.5.
Met een besluit van 6 december 2023 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen de brief van 1 juni 2023 niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat de brief niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met de brief is slechts informatie aan appellant verstrekt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De brief is niet gericht op zelfstandig rechtsgevolg. Niet gebleken is dat appellant heeft verzocht om wijziging van zijn rechtspositie. Verder wordt er in de brief niets anders over de rechtspositie van appellant gezegd dan wat hij op basis van het aanstellingsbesluit van 10 januari 2008 niet al wist of had kunnen weten. De brief bevat geen wijziging of vaststelling van zijn rechtspositie. Het dagelijks bestuur heeft met de brief bedoeld een vraag van appellant te beantwoorden. De brief is dan ook geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Ten overvloede heeft de rechtbank overwogen dat appellant op grond van artikel 27b.1, tweede lid, onder b, van de ARBAA niet in aanmerking zou komen voor FLO, omdat hij, zoals appellant ook op de zitting heeft erkend, niet aan de voorwaarden voldoet. Voor het oordeel dat die bepaling niet deugt en ruim moet worden uitgelegd, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij in het gesprek op 22 december 2022 heeft gevraagd om een besluit te laten vaststellen of hij recht heeft op FLO. Het dagelijks bestuur heeft hierop inhoudelijk beslist. Daarom is de brief volgens appellant een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, ook als het college hierover al eerder een besluit zou hebben genomen. Verder stelt appellant zich op het standpunt dat hij recht heeft op FLO.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt bedoeld een handeling die is gericht op rechtsgevolg.
4.2.
De Raad stelt voorop dat uit het aanstellingsbesluit van 10 januari 2008 volgt dat het dagelijks bestuur de regeling voor een tweede loopbaan als bedoeld in hoofdstuk 27a van de ARBAA op appellant van toepassing heeft geacht. Appellant is op een later moment gaan twijfelen over de toepasselijkheid van het FLO-overgangsrecht. Met zijn verzoek wilde hij hierover duidelijkheid krijgen.
4.3.
Appellant heeft ter zitting gesteld dat hij in het gesprek op 22 december 2022 de korpschef heeft gevraagd om terug te komen van het aanstellingsbesluit en dat de brief van 1 juni 2023 moet worden gezien als een afwijzend besluit op dat verzoek, maar dit blijkt niet uit de brief van 1 juni 2023 en ook niet uit de overige gedingstukken
.
4.4.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 19 februari 2025 [1] geoordeeld dat de brief waarin aan een betrokkene is medegedeeld dat hij niet valt onder de werkingssfeer van het FLOovergangsrecht, [2] geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en ook geen bestuurlijk rechtsoordeel dat daarmee op één lijn moet worden gesteld. De Raad ziet geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen. Hiertoe overweegt de Raad, in aanvulling op wat in de uitspraak van 19 februari 2025 is overwogen, het volgende.
4.5.
In de brief van 1 juni 2023 heeft het dagelijks bestuur duidelijkheid gegeven over de reikwijdte van het FLO-overgangsrecht en de toepasselijkheid daarvan in de situatie van appellant. Daarmee is de rechtspositie van appellant, die ook al gebruik heeft gemaakt van een aantal voorzieningen voor medewerkers die vallen onder de regeling voor een tweede loopbaan, niet gewijzigd. De inhoud van de brief bevat slechts informatie die in lijn is met wat in het aanstellingsbesluit is opgenomen en met wat met appellant is besproken in de gesprekken over de tweede loopbaan. De stelling van appellant dat hij, anders dan de betrokkene in de uitspraak van 19 februari 2025, heeft verzocht om daadwerkelijk van het FLO-overgangsrecht gebruik te maken, vindt geen bevestiging in de gedingstukken. De brief van 1 juni 2023 is daarom niet op rechtsgevolg gericht.
4.6.
Verder is in het geval van appellant geen sprake van een bestuurlijk rechtsoordeel dat op één lijn moet worden gesteld met een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Appellant was ten tijde van het indienen van zijn verzoek 49 jaar. Niet is gebleken van een situatie waarin het onevenredig is om een daadwerkelijk besluit af te wachten, alvorens hij in rechte beoordeeld kan krijgen of hij onder de werkingssfeer van het FLO-overgangsrecht valt.

Conclusie en gevolgen

4.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2025.
(getekend) H. Lagas
(getekend) M. Dafir

Voetnoten

2.Van artikel 9b:1 van de CAR/UWO. De tekst van dit artikel is identiek aan artikel 27b1 van de ARBAA.