ECLI:NL:CRVB:2025:1600
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid werknemer op 61,97% per 7 juli 2020
Werknemer was sinds 10 juli 2018 ziekgemeld en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV stelde na onderzoek de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 61,97% per 7 juli 2020 en kende een WIA-uitkering toe. Appellante betwistte onder meer de ingangsdatum van de arbeidsongeschiktheid, de gehanteerde urenbeperking en het ontbreken van aanvullende informatie van behandelaren.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en gemotiveerd was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het beginsel van equality of arms werd geschonden en dat een onafhankelijke deskundige benoemd had moeten worden, mede op grond van het Korošec-arrest.
De Raad concludeert dat het UWV terecht de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 10 juli 2018 heeft vastgesteld en dat de wachttijd correct is vervuld. De Raad ziet geen reden om te twijfelen aan de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en wijst het beroep op het Korošec-arrest af. Tevens is geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms omdat appellante voldoende gelegenheid had om tegenbewijs aan te dragen.
Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de totale duur van de procedure binnen de normen valt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en de toekenning van de WIA-uitkering blijft ongewijzigd.
Uitkomst: De vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 61,97% per 7 juli 2020 wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.