ECLI:NL:CRVB:2025:1610
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de weigering van het UWV om hem een WIA-uitkering toe te kennen per 17 januari 2022, omdat hij volgens het UWV minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De medische beoordeling door verzekeringsartsen en de arbeidskundige beoordeling door het UWV leidden tot de conclusie dat appellant geschikt is voor bepaalde functies en niet voldoet aan de vereiste mate van arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank heeft het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten. Appellant voerde aan dat zijn psychische en lichamelijke klachten zwaarder wegen dan door het UWV aangenomen, en dat hij niet in staat is de geselecteerde functies te vervullen. De Centrale Raad van Beroep heeft deze argumenten onderzocht en geoordeeld dat de medische en arbeidskundige beoordelingen zorgvuldig en voldoende gemotiveerd zijn.
De Raad concludeert dat er geen nieuwe medische informatie is die tot een ander oordeel leidt en dat de beperkingen die appellant stelt niet zijn onderbouwd. Ook is er geen medische noodzaak voor een structurele urenbeperking vastgesteld. De arbeidskundige beoordeling is eveneens voldoende gemotiveerd en de geselecteerde functies passen binnen de belastbaarheid van appellant.
Daarom slaagt het hoger beroep niet en wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarmee de weigering van de WIA-uitkering gehandhaafd blijft. Appellant krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.