ECLI:NL:CRVB:2025:1614
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij WIA-uitkering
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV van 19 april 2024, waarin zijn bezwaar tegen de vaststelling van volledige arbeidsongeschiktheid werd afgewezen. Het UWV had eerder op 5 januari 2024 vastgesteld dat appellant volledig arbeidsongeschikt was, en dit werd niet herroepen. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.
Appellant stelde dat zijn rechtspositie was gewijzigd doordat het UWV in bezwaar een ander standpunt innam over benutbare mogelijkheden, en dat het UWV daarom zijn kosten in bezwaar had moeten vergoeden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het bestreden besluit nog steeds tot dezelfde mate van arbeidsongeschiktheid leidt en dat er geen wijziging in rechtspositie heeft plaatsgevonden.
De Raad bevestigde dat procesbelang ontbreekt indien het resultaat van het beroep niet kan worden bereikt en dat een louter formeel belang onvoldoende is. Het beroep slaagde daarom niet, en appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 december 2024 bleef daarmee in stand.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang; de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.