ECLI:NL:CRVB:2025:1617
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen op achttiende verjaardag
Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan, stellende dat hij op zijn achttiende verjaardag in 2008 en de vijf jaren daarna niet over arbeidsvermogen beschikte en daarom als jonggehandicapte moest worden aangemerkt. Het UWV weigerde de uitkering omdat uit verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek bleek dat appellant wel over arbeidsvermogen beschikte in die periode.
De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep van appellant ongegrond en handhaafde het besluit van het UWV. De rechtbank oordeelde dat appellant in de relevante periode wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had, mede gelet op zijn dienstverbanden en werkzaamheden als productiemedewerker, orderpicker en vuilnisman.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet over basale werknemersvaardigheden beschikte en dat zijn ziektebeelden zoals autisme spectrum stoornis en PTSS hem belemmerden. De Raad volgde dit niet, omdat appellant onvoldoende objectief medisch bewijs leverde en uit de rapporten bleek dat hij in staat was instructies uit te voeren en afspraken na te komen.
De Raad bevestigde dat appellant pas in september 2018 zijn arbeidsvermogen verloor, wat buiten de verzekerde periode valt. De Raad concludeerde dat appellant niet als jonggehandicapte kan worden aangemerkt volgens artikel 1a:1 van de Wajong en verklaarde het hoger beroep ongegrond, waardoor de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand.