ECLI:NL:CRVB:2025:1621
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering met terugwerkende kracht vóór vijf jaar
Appellant heeft meerdere aanvragen gedaan voor een Wajong-uitkering, waarbij het UWV aanvankelijk de aanvragen afwees vanwege onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Bij de derde aanvraag in 2020 werd de uitkering toegekend met ingang van die datum. Appellant verzocht vervolgens om terugwerkende kracht vanaf zijn achttiende verjaardag of ten minste een jaar voor zijn eerste aanvraag, maar het UWV wees dit af.
De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht stelde dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren, maar dat het weigeren van terugwerkende kracht verder dan vijf jaar evident onredelijk was. Het UWV kende daarop de uitkering toe met vijf jaar terugwerkende kracht vanaf 20 februari 2015. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
Appellant stelde dat het UWV op grond van artikel 3:29 Wajong Pro in bijzondere gevallen verder terugwerkende kracht moet verlenen. De Raad overwoog dat het verzoek van appellant neerkomt op een herbeoordeling van het eerdere besluit, die getoetst moet worden aan artikel 4:6 Awb Pro. Het UWV hanteert een vaste gedragslijn om in beginsel vijf jaar terug te gaan, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen.
De Raad concludeerde dat geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die verder terugwerkende kracht rechtvaardigen. Het feit dat appellant arbeidsongeschikt is, is daarvoor onvoldoende. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het UWV heeft terecht geweigerd de Wajong-uitkering met terugwerkende kracht langer dan vijf jaar toe te kennen.