ECLI:NL:CRVB:2025:1638
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken arbeidsongeschiktheid binnen vijfjaarstermijn na studie
Appellant verzocht om een Wajong-uitkering op grond van arbeidsongeschiktheid die zou zijn ontstaan tijdens of binnen zes maanden na het beëindigen van zijn studie en in de vijf jaar daarna. Het UWV weigerde de uitkering omdat uit verzekeringsgeneeskundig onderzoek bleek dat appellant over arbeidsvermogen beschikte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van het UWV.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij sinds 2010 klachten heeft die verband houden met inflammatoire gewrichtsaandoeningen, met een lange latentieperiode tussen het ontstaan van klachten en diagnose. De Raad oordeelde echter dat niet de aanwezigheid van een ziekte maar de beperkingen door die ziekte doorslaggevend zijn. Omdat er geen bewijs was dat appellant tijdens of binnen zes maanden na zijn studie beperkingen had, en ook niet in de vijf jaar daarna, kon hij niet als jonggehandicapte worden aangemerkt.
De Raad volgde het standpunt van het UWV dat appellant arbeidsvermogen had en dat de laattijdige aanvraag het vaststellen van de medische situatie bemoeilijkte, wat voor risico van appellant kwam. Het hoger beroep werd afgewezen, de weigering van de Wajong-uitkering bleef in stand en appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat appellant niet als jonggehandicapte kan worden aangemerkt.