ECLI:NL:CRVB:2025:1644
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- G.C. Boot
- S.B. SmitColenbrander
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere vaststelling NOW-1 subsidie wegens lager omzetverlies en lagere loonsom
In deze zaak staat de vaststelling van de subsidie voor loonkosten op grond van de NOW-1 regeling centraal. Appellante, een beheer- en beleggingsmaatschappij, ontving een voorschot op basis van een verwacht omzetverlies van 40%, maar het werkelijke omzetverlies bleek 31% te zijn en de loonsom in de subsidieperiode was lager dan driemaal de loonsom in de referentiemaand januari 2020. De minister stelde daarom de subsidie definitief lager vast dan het voorschot en vorderde het teveel betaalde bedrag terug.
Appellante stelde dat de minister maatwerk had moeten toepassen door de loonsom in januari 2020 te corrigeren voor het hogere aantal werkdagen ten opzichte van maart-mei 2020 en door het loon van een werknemer die op 19 november 2019 ontslag wegens bedrijfseconomische redenen had aangevraagd in mindering te brengen. De rechtbank en de Raad oordeelden dat de NOW-1 regeling en het toegepaste beleid geen ruimte bieden voor dergelijke correcties, omdat de regeling uitgaat van de loonsom in januari 2020 als vaste referentie en het doel van behoud van werkgelegenheid vraagt om een consequente toepassing.
De Raad benadrukte dat het financiële nadeel voor appellante als gevolg van het verschil in werkdagen en de ontslagaanvraag tot het normale ondernemersrisico behoort en niet leidt tot een onevenredig nadeel. De belangenafweging tussen het belang van een juiste subsidievaststelling en het belang van appellante leidt tot de conclusie dat de lagere vaststelling terecht is. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de lagere vaststelling van de NOW-1 subsidie bevestigd.