ECLI:NL:CRVB:2025:1672
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag algemene en bijzondere bijstand wegens onvoldoende aannemelijkheid bijstandbehoevendheid
Appellant heeft van oktober 2016 tot februari 2021 bijstand ontvangen en diende in maart 2022 een nieuwe aanvraag om algemene bijstand in. Het college onderzocht de aanvraag en constateerde dat appellant sinds maart 2021 geen zichtbare inkomsten had en dat er zeven ondernemingen op zijn naam stonden. Appellant leverde niet de gevraagde informatie over de ondernemingen aan, waardoor zijn inkomenssituatie onduidelijk bleef.
Het college wees de aanvraag om bijstand af en vorderde het eerder verstrekte voorschot terug. Ook de aanvraag om bijzondere bijstand werd afgewezen. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het college verklaarde deze ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep stelde appellant dat hij alle beschikbare stukken had overgelegd, mede vanwege verlies van administratie door ontruiming van zijn woning. De Raad oordeelde dat de bewijslast bij appellant ligt en dat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Hij gaf onvoldoende duidelijkheid over de activiteit en inkomsten van zijn ondernemingen en over zijn levensonderhoud na maart 2021.
De terugvordering van het voorschot werd door de Raad als rechtmatig beoordeeld, mede omdat appellant geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd die terugvordering zouden verhinderen. De afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand werd eveneens bevestigd omdat ook daarvoor onvoldoende financiële duidelijkheid bestond.
Het hoger beroep werd afgewezen, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de bijstandsaanvragen en terugvordering van het voorschot blijft in stand.