Verzoekster diende op 23 oktober 2024 een aanvraag in voor een IOAW-uitkering. Het college vroeg aanvullende informatie, waaronder bankafschriften en stukken over een erfenis. Verzoekster leverde deze niet aan, met het argument dat het vermogen betrof en niet relevant was voor de uitkering.
Het college wees de aanvraag af wegens schending van de medewerkingsplicht, omdat het recht op uitkering niet kon worden vastgesteld zonder de gevraagde gegevens. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoekster ongegrond en bevestigde het besluit.
In hoger beroep stelde verzoekster dat het college niet bevoegd was de gevraagde stukken op te vragen. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college wel bevoegd was om te onderzoeken of de bedragen op haar rekening inkomen of vermogen waren. Verzoekster kon niet aannemelijk maken dat zij niet in staat was de stukken te overleggen.
De Raad bevestigde dat de afwijzing terecht was en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling of griffierechtvergoeding.