ECLI:NL:CRVB:2025:1675

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
25/1386 NIOAW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:108 AwbArt. 9 IOAW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing IOAW-uitkering wegens niet verstrekken noodzakelijke gegevens

Verzoekster diende op 23 oktober 2024 een aanvraag in voor een IOAW-uitkering. Het college vroeg aanvullende informatie, waaronder bankafschriften en stukken over een erfenis. Verzoekster leverde deze niet aan, met het argument dat het vermogen betrof en niet relevant was voor de uitkering.

Het college wees de aanvraag af wegens schending van de medewerkingsplicht, omdat het recht op uitkering niet kon worden vastgesteld zonder de gevraagde gegevens. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoekster ongegrond en bevestigde het besluit.

In hoger beroep stelde verzoekster dat het college niet bevoegd was de gevraagde stukken op te vragen. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college wel bevoegd was om te onderzoeken of de bedragen op haar rekening inkomen of vermogen waren. Verzoekster kon niet aannemelijk maken dat zij niet in staat was de stukken te overleggen.

De Raad bevestigde dat de afwijzing terecht was en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling of griffierechtvergoeding.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de IOAW-uitkering blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 3 juli 2025, 25/865 en 25/782 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om een voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoeksters] te [woonplaats] (verzoekster)
het college van burgemeester en wethouders van Best (college)
Datum uitspraak: 11 november 2025

SAMENVATTING

Deze zaken gaan over een afwijzing van een aanvraag om de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) uitkering op grond dat verzoekster niet de noodzakelijke gegevens heeft ingeleverd om het recht vast te kunnen stellen. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij de gevraagde bankafschriften en stukken over een erfenis niet hoeft in te leveren omdat dit vermogen betreft. Het hoger beroep slaagt niet omdat het college deze gegevens mocht opvragen, juist om vast te kunnen stellen dat het vermogen en geen inkomen betrof. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het hoger beroep niet slaagt.

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. A.P. van Knippenbergh, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 oktober 2025. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. Van Knippenbergh. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. van Bree.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Verzoekster heeft op 23 oktober 2024 een aanvraag voor een uitkering op grond van de IOAW ingediend. Het college heeft op 25 oktober 2024 verzoekster uitgenodigd voor een gesprek en om extra informatie gevraagd. Verzoekster heeft onder andere bankafschriften van haar betaalrekening ingeleverd. Tijdens het intakegesprek heeft verzoekster verklaard dat een aantal bijschrijvingen op haar rekening afkomstig is van haar broers en dat dit een voorschot op een erfenis uit het buitenland betreft. Op 13 november 2024 heeft het college verzoekster verzocht om aanvullende gegevens in te leveren. Dit verzoek heeft het college met een brief van 22 november 2024 herhaald. Verzoekster heeft de gevraagde stukken niet ingeleverd.
1.2.
Met een besluit van 3 december 2024, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 12 maart 2025 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat verzoekster in strijd met de medewerkingsverplichting niet alle gegevens heeft ingeleverd die nodig zijn om het recht op een IOAW-uitkering vast te kunnen stellen. Uit de ingeleverde stukken blijkt dat verzoekster bedragen ontvangt van derden. Haar stelling dat dit om een erfenis gaat heeft zij niet onderbouwd met stukken. Verder heeft zij niet van al haar rekeningen bankafschriften ingeleverd.
1.3.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank
2. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft, voor zover hier van belang, met toepassing van artikel 8:86 van Pro de Awb het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van verzoekster
3. Verzoekster is het niet eens met de ongegrondverklaring van haar beroep. Wat zij tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter beoordeelt of een spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening nodig maakt en of ook meteen al een oordeel kan worden gegeven over de hoofdzaak. Dit wordt hierna toegelicht. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening en het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Als hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopig voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [1] De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel spoedeisend belang. Daarvan is in deze zaak voldoende gebleken, mede gelet op wat ter zitting is besproken en op de onderbouwde forse huurachterstand. Als de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van het hoger beroep (de hoofdzaak), geeft de wet de mogelijkheid om ook onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. [2] Deze situatie doet zich in deze zaak voor en ook verder zijn er geen redenen om niet onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Beoordeling van de hoofdzaak (25/1386 NIOAW)
5. In de hoofdzaak beoordeelt de voorzieningenrechter of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de IOAW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat verzoekster in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Iemand die een IOAW-uitkering aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft hierop. De bewijslast dat hij aan de voorwaarden hiervoor voldoet rust dus in beginsel op de aanvrager. De aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Het college heeft vervolgens een onderzoeksplicht.
5.2.
Op de aanvrager zijn vanaf het moment van de aanvraag de inlichtingenverplichting en de medewerkingsverplichting van artikel 13 van Pro de IOAW van toepassing. Als het college aannemelijk maakt dat een aanvrager de inlichtingen- of medewerkingsverplichting heeft geschonden, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag als daardoor het recht op IOAW niet kan worden vastgesteld.
5.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat het vermogen van verzoekster niet relevant is voor het vaststellen van een recht op IOAW-uitkering, en ook niet dat verzoekster verschillende stukken waar het college om heeft verzocht niet heeft ingeleverd. In geschil is alleen maar of deze stukken relevant waren voor de vaststelling van het recht op IOAWuitkering en het college om die reden deze stukken mocht opvragen. Verzoekster heeft aangevoerd dat dit niet het geval is. Deze grond slaagt niet.
5.3.1.
Voorop staat dat het college in het kader van de in 5.1. genoemde onderzoeksplicht bevoegd is om onderzoek te doen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens en naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening van IOAW en dat het in beginsel aan het college is om te bepalen welke gegevens noodzakelijk zijn om de aanvraag te beoordelen. [3] Anders dan verzoekster betoogt, zijn de door het college opgevraagde gegevens over de door haar genoemde erfenis en de bankafschriften nodig voor het vaststellen van het recht op IOAW-uitkering. Het college is zijn bevoegdheid dan ook niet te buiten gegaan door deze stukken op te vragen. Dit wordt hierna toegelicht.
5.3.2.
Verzoekster heeft verklaard dat een erfenis de bron is van de bedragen die haar broers op haar bankrekening hebben overgemaakt. Het college is gelet op 5.1 en 5.3.1 bevoegd om te onderzoeken of dit klopt. Op de ingeleverde bankafschriften over de periode van 9 augustus 2024 tot en met 9 november 2024 is te zien dat zij in deze periode vier keer een bijschrijving van één van haar broers en één keer en bijschrijving van “Transfer wise” heeft ontvangen, tot een totaalbedrag van € 5.301,-. Het college heeft terecht gesteld dat zonder enig onderbouwend stuk over de gestelde erfenis het voor het college niet mogelijk is om vast te stellen of deze bedragen deel zijn van het vermogen of een vorm van inkomen zijn zoals bedoeld in de IOAW. Anders dan verzoekster stelt, is haar enkele verklaring niet voldoende daartoe, ook al zijn er geen concrete aanwijzingen dat deze verklaring niet klopt.
5.3.3.
Verzoekster heeft verklaard dat het voor haar om morele en praktische redenen lastig is om aan stukken te komen. Voor zover verzoekster hiermee wil betogen dat zij daartoe niet in staat is, of dat dit niet van haar kan worden gevergd, slaagt dit betoog niet. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor haar niet mogelijk is en ook niet van haar kan worden gevraagd om stukken over de erfenis boven water te krijgen.
5.3.4.
Daarnaast zijn ook de gevraagde gegevens over de Freedom Finance Europe LTD bankrekening relevant voor de vaststelling van het recht op IOAW-uitkering. Verzoekster heeft gesteld dat dit een zogenaamde depositorekening is, hierop alleen maar vermogen staat en geen inkomsten gestort kunnen worden, maar zij heeft dit met geen enkel stuk onderbouwd. De enkele – en op zichzelf niet door het college betwiste – stelling dat het om een spaarrekening gaat, maakt niet dat er niet ook inkomsten op kunnen worden bijgeschreven of gestort. [4] Hier komt nog bij dat verzoekster op de zitting van de voorzieningenrechter van de Raad heeft verklaard dat er een bankrekening gekoppeld is aan de depositorekening en heeft erkend dat daarop inkomsten kunnen worden gestort of bijgeschreven, die vervolgens weer automatisch op de depositorekening terechtkomen. Gelet hierop en bij gebreke aan bankafschriften van de depositorekening en daaraan gekoppelde bankrekening, heeft het college terecht gesteld dat het recht op IOAW-uitkering niet kan worden vastgesteld.
Beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening (25/1930 NIOAW-VV)
6. Aangezien het hoger beroep niet slaagt is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

7. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van een IOAW-uitkering in stand blijft. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
8. Voor een veroordeling in de proceskosten van verzoekster en een vergoeding van het door haar betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2025.

(getekend) E.C.E. Marechal

(getekend) L. van Beelen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:81, eerste lid
Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Artikel 8:86, eerste lid
Indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
Artikel 8:104, eerste lid
Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen hoger beroep instellen tegen:
een uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, of artikel 8:67, eerste lid, van de rechtbank,
een uitspraak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de voorzieningenrechter van de rechtbank,
een uitspraak van de rechtbank op een verzoek als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid.
Artikel 8:108, eerste lid
Voor zover in deze titel niet anders is bepaald, zijn op het hoger beroep de titels 8.1 tot en met 8.3 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8:1 tot en met 8:10, 8:41, tweede lid, en 8:74.
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemersArtikel 9
De uitkering bedraagt het verschil tussen de van toepassing zijnde grondslag en het inkomen.
In de in het eerste lid bedoelde uitkering is begrepen een vakantie-uitkering ter hoogte van 8/108 van die uitkering.
Indien het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, wordt de in het tweede lid genoemde verhouding dienovereenkomstig aangepast.
Artikel 13, eerste en tweede lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling en het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan hem wordt betaald. De verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door burgemeester en wethouders kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
De belanghebbende is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb, in verbinding met artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
2.Zie artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.
3.Zie de uitspraak van 23 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3149.
4.Vergelijk ook de uitspraak van 23 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3149.