ECLI:NL:CRVB:2025:1676

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
24/307 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand wegens niet aannemelijk maken bijstandbehoevende omstandigheden

Appellant diende op 3 mei 2021 een aanvraag om bijstand in met een gewenste ingangsdatum van 1 februari 2021. Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet aannemelijk maakte dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, mede vanwege contante stortingen van in totaal €18.110,- op een bankrekening op zijn naam.

Appellant stelde dat het geld van zijn neef was en dat hij er niet over kon beschikken. De rechtbank oordeelde dat het tegoed op de bankrekening onderdeel was van het vermogen waarover appellant beschikte, omdat hij geen objectief bewijs leverde dat de rekening uitsluitend voor de neef was en er indicaties waren van gebruik door appellant.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en wees het hoger beroep af. Appellant bracht geen nieuwe gronden aan die tot een ander oordeel konden leiden. Hierdoor blijft de afwijzing van de bijstandsaanvraag in stand en krijgt appellant geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijstand wordt bevestigd omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet over het tegoed op zijn bankrekening kon beschikken.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 29 december 2023, 21/3393 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)
Datum uitspraak: 11 november 2025

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om een afwijzing van een aanvraag om bijstand. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Hierbij heeft het college betrokken dat in de periode voorafgaand aan de aanvraag op een bankrekening die op naam stond van appellant geldbedragen zijn gestort tot een totaal van € 18.110,-. Appellant is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag en voert aan dat het geld van zijn neef was en dat appellant daarover niet kon beschikken. De Raad oordeelt net als de rechtbank dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P.H.J. Hermans, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 september 2025. Appellant en zijn gemachtigde zijn – met bericht – niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.L.J.H. Stevenhaagen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.2.
Appellant heeft op 3 mei 2021 een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet ingediend. Hij heeft op het aanvraagformulier 1 februari 2021 als gewenste ingangsdatum vermeld.
1.3.
In verband met deze aanvraag heeft het college appellant verzocht informatie te verstrekken, onder meer over contante stortingen tot een totaalbedrag van € 18.110,- op een ING-rekening op naam van appellant (de bankrekening) in de periode van november 2020 tot en met februari 2021.
1.4.
Met een besluit van 11 juni 2021 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Hierbij heeft het college betrokken dat appellant geen duidelijkheid heeft verschaft over de geldbedragen die op de bankrekening zijn gestort en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet over het tegoed op de bankrekening heeft kunnen beschikken.
1.5.
Met een beslissing op bezwaar van 12 november 2021 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 juni 2021 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Het feit dat de bankrekening op naam van appellant stond, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op de bankrekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikte of redelijkerwijs kon beschikken. Appellant is er niet in geslaagd het tegendeel aannemelijk te maken. Hij heeft geen objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd waaruit blijkt dat hij de bankrekening ten behoeve van zijn neef (X) heeft geopend en dat alleen X van de bankrekening gebruikmaakte. De schriftelijke verklaringen van X volstaan in dit verband niet. Bovendien zijn er indicaties dat appellant over de bankrekening kon beschikken. Zo zijn er vanaf de bankrekening bedragen overgemaakt naar de SNS-rekening van appellant, is er van de bankrekening gepind bij een gokinstelling waar appellant ook pinde, zijn er vanaf de bankrekening betalingen in de woonomgeving van appellant verricht, is de premie van de zorgverzekering van appellant eenmaal vanaf de bankrekening voldaan en zijn er vliegtickets naar Marokko voor appellant van deze rekening betaald. Het college heeft de aanvraag dan ook terecht afgewezen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, voor zover daarin het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 1 februari 2021 tot en met 11 juni 2021.
5.1.
Appellant heeft aangevoerd dat hij niet over het tegoed op de bankrekening kon beschikken, omdat dit tegoed aan X toebehoorde. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn stelling verwezen naar de schriftelijke verklaringen van X van 3 maart 2021 en 15 juni 2021. X heeft daarin geschreven dat de bankrekening op naam van appellant is geopend, maar dat de bankrekening feitelijk van X was en dat X daarvan gebruikmaakte. Appellant had geen pinpas van de bankrekening. De stortingen op de bankrekening zijn door of ten behoeve van X gedaan. X heeft telkens een bedrag van zijn spaargeld op de bankrekening gestort.
5.2.
Deze grond slaagt niet. Niet in geschil is dat de bankrekening op naam van appellant stond en dat op de bankrekening in de periode van november 2020 tot en met februari 2021 in totaal € 18.110,- is gestort. Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, brengt – behoudens tegenbewijs – mee dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit is vaste rechtspraak. [1]
5.3.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over het tegoed op de bankrekening, en dat het college de aanvraag daarom terecht heeft afgewezen. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank hierover en onderschrijft deze. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden ingebracht of een nadere onderbouwing gegeven op grond waarvan de Raad tot een ander oordeel komt.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijstand in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.J. Janssen in tegenwoordigheid van N. El Khabazi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2025.

(getekend) J.J. Janssen

(getekend) N. El Khabazi

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1226.