ECLI:NL:CRVB:2025:1676
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens niet aannemelijk maken bijstandbehoevende omstandigheden
Appellant diende op 3 mei 2021 een aanvraag om bijstand in met een gewenste ingangsdatum van 1 februari 2021. Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet aannemelijk maakte dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, mede vanwege contante stortingen van in totaal €18.110,- op een bankrekening op zijn naam.
Appellant stelde dat het geld van zijn neef was en dat hij er niet over kon beschikken. De rechtbank oordeelde dat het tegoed op de bankrekening onderdeel was van het vermogen waarover appellant beschikte, omdat hij geen objectief bewijs leverde dat de rekening uitsluitend voor de neef was en er indicaties waren van gebruik door appellant.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en wees het hoger beroep af. Appellant bracht geen nieuwe gronden aan die tot een ander oordeel konden leiden. Hierdoor blijft de afwijzing van de bijstandsaanvraag in stand en krijgt appellant geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijstand wordt bevestigd omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet over het tegoed op zijn bankrekening kon beschikken.