ECLI:NL:CRVB:2025:1684
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling arbeidsongeschiktheidspercentage WIA-uitkering
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van haar arbeidsongeschiktheidspercentage door het UWV, dat per 2 juni 2021 op 55,07% en per 28 april 2022 op 56,22% is vastgesteld. Zij stelt dat haar medische beperkingen, met name door carpaal tunnelsyndroom aan beide zijden, onvoldoende zijn meegewogen.
De rechtbank Rotterdam vernietigde het bestreden besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen. De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep van appellante behandeld en het oordeel van de rechtbank bevestigd. De Raad concludeert dat het UWV de medische en arbeidskundige beoordeling zorgvuldig heeft uitgevoerd en dat er geen objectieve aanwijzingen zijn voor aanvullende beperkingen.
De Raad weegt mee dat de klachten van appellante weliswaar reëel zijn, maar dat deze niet leiden tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid op basis van medisch objectieve criteria. De subjectieve beleving van appellante is niet doorslaggevend. De Raad ziet geen reden voor benoeming van een onafhankelijke deskundige en bevestigt de voortzetting van de WIA-uitkering op de vastgestelde percentages.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage door het UWV wordt bevestigd.